Juryverslag Wolvecampprijs 2016


Uitgesproken door Anna Tilroe bij de opening van de tentoonstelling op zaterdag 24 september 2016
De Stichting Heartpool wilde heel begrijpelijk een speciale tint geven aan haar tienjarig jubileum en bedacht dat de samenstelling van een bijzondere jury∗ daar een steentje aan zou kunnen bijdragen. Dat steentje bleek, zo mag ik wel zeggen, een baksteen. Want het leidde ertoe dat niet, zoals voorheen, een tentoonstelling tot stand kwam van kandidaten voor de Wolvecamp prijs waaruit vervolgens een winnaar wordt gekozen, maar dat de winnaar vooraf al bekend is gemaakt. Die winnaar blijkt bovendien in het meervoud te moeten worden geschreven: er zijn er drie! Deze winnaars zijn geen aanstormend talent van onder de 40 jaar, zoals de traditie wilde, maar drie gerijpte kunstenaars, ieder met een lange geschiedenis van tentoonstellingen, publicaties en kritiek achter zich.
Hoe is dit zo gekomen?
Het is niet erg gebruikelijk dat een juryvoorzitter uit de school klapt over de gang van zaken tijdens het jury-overleg, maar zonder in details te treden wil ik dit er wel over zeggen: we waren niet erg gelukkig met elkaars keuze van mogelijke kandidaten. Iedere aangedragen kandidaat had wel iets waar we stil bij wilden staan, maar nooit erg lang. We slenterden als het ware langs de kandidaten, een beetje zoals mensen doen op het soort tentoonstelling als, met alle respect, de Koninklijke prijs. Snuffelend, met hier en daar een aandachtig stilstaan. En dan toch maar weer verder. Het zag ernaar uit dat het een dagenlange sessie ging worden.
En toen vroeg een van de juryleden plotseling: is dit eigenlijk wel de weg die we op moeten? Altijd maar weer die prijzen voor jonge kunstenaars! Waarom toch steeds die leeftijdsgrens? Hoeveel kunstenaars zijn er niet in Nederland die het ruimschoots verdienen in het zonnetje te worden gezet, maar die weinig of geen aandacht krijgen domweg omdat iedereen zo gefixeerd is op ‘jong’. Ja, vielen de anderen bij, en op ‘vernieuwend’. Maar kijk wat we hier zien: al deze jonge kunstenaars borduren voort op de vernieuwingen van kunstenaars vóór hen. Dat is goed, zo is het altijd gegaan en echte genieën zijn zeldzaam, maar laten we als jury nu eens drie kunstenaars in ogenschouw nemen die met hun radicale ideeën de Nederlandse kunst behoorlijk hebben opgeschud maar die daar zelden of nooit een prijs voor hebben gekregen. Als we die nu eens bij elkaar zetten, wat gebeurt er dan?

Het idee sloeg onmiddellijk aan. Ook bij het bestuur van Heartpool, dat ik niet genoeg kan prijzen voor zijn bereidheid om dit toch wel een beetje radicale idee te omarmen en een traditie te doorbreken. Ineens schoot iedereen rondom de jurytafel in een hogere versnelling en werden allerlei namen aangedragen, waarna al snel bleek dat drie daarvan bij vrijwel ieder jurylid opdoken. Na enige argumentatie over en weer was de keuze in korte tijd beslist.
Naar de mening van de jury maken de drie kunstenaars waarvan nu hier in Hengelo werk wordt getoond, onverbrekelijk deel uit van het Nederlandse kunstlandschap. Ieder van hen gaat al jaren onophoudelijk door met ons te verbazen, te verrukken of snel een andere kant op te doen kijken. Om dan toch even snel opnieuw te kijken. Hun namen: Lily van der Stokker, Rob Birza en Erik van Lieshout.
Ik noem ze in volgorde van geboortejaar: 1954, 1962 en 1968. De eerste twee, Van der Stokker en Birza, hadden hun eerste tentoonstelling begin jaren tachtig. Van Lieshouts start lag in de jaren negentig. Daarna is een indrukwekkende reeks tentoonstellingen gevolgd die tot op de dag van vandaag doorgaat.
Ik noem die eerste tentoonstellingen omdat ze alle drie gestempeld zijn door de tijd waarin ze begonnen te exposeren. De jaren tachtig, met de breuk veroorzaakt door het postmodernisme en de opkomst en vervolgens exploderende kracht van de commerciële kunstmarkt. En de jaren negentig met de tegenreactie van kunst die zich nadrukkelijk mengde in het politieke debat en aandacht opeiste voor andere kunst dan die van de modernistische ‘white, male pig’: politiek geëngageerde kunst, kunst van vrouwen, gays, niet-witte mannen en vrouwen.  Het modernisme met zijn universele pretenties en strenge esthetische principes werd in de ban gedaan en begrippen als identiteit, gender en politieke correctheid deden hun intrede. Een herkenbare, continue lijn in een oeuvre pleitte voortaan eerder tegen de kunstenaar dan voor hem of haar.
In dat klimaat waren Lily van der Stokker, Rob Birza en Erik van Lieshout prima op hun plaats. Of moet ik zeggen dat ze uit de tijdsgeest voortkwamen? Hoe dan ook, daar was een kunstenaar die als vrouw met alle modernistische regels brak, een eclectische kunstenaar wiens werk volstrekt onvoorspelbaar was en een kunstenaar die iedere moraal bruskeerde.
 
Ik heb eens nagekeken wat ieder van hen in interviews antwoordde op vragen van vaak ontregelde interviewers.
Van der Stokker: 'Ik hou van het decorateve, de bloemen, krullen, het niets. Ik hou ervan omdat ik een meisje ben, maar ik ben ook een kunstenaar. Ik hou ervan om vrouwelijke clichés uit te vergroten, zoals het decoratieve en slechtesmaak roze . Ik wil geen indruk maken met hoog intellectuele of hoog technische stuff omdat ik vind dat eenvoud ook sterk en onverwacht moet zijn. Mijn werk gaat over plezier, niet over het veranderen van de wereld. Het is zelfs een beetje ouderwets.’
Of dat laatste waar is, is de vraag. Wij van de jury vinden het werk van Van der Stokker heel consistent in zijn herkenbaarheid en toch altijd weer verrassend door zijn brutaliteit, het lef om zeer groot te gaan en zich niets van de scheidslijnen tussen de kunsten aan te trekken. En het is maar een suggestie, maar misschien is het juist door zijn voortdurende breuk met de goede en slechte smaak dat het op een moeilijk te omschrijven manier Tijdloos is. En dat is een kwaliteit die ver uitstijgt boven heel veel stoute of zoete meisjeskunst.
 
Met herkenbaarheid moet je bij Rob Birza niet aankomen. Althans niet direct. De richtingen, stijlen en media waar hij zich van bedient zijn zo divers dat hij vaak een 'duizendpoot' is genoemd. Tel daarbij op dat hij telkens weer blijk geeft van een virtuoze techniek en een stevige productie en je hebt het beeld van een kunstenaar op wiens werk de meesten (en ik spreek hier ook als zo’n criticus) in die eerste jaren maar moeilijk vat konden krijgen. Maar zie, vele jaren en tentoonstellingen later rijst het beeld op van een kunstenaar die recht overeind is blijven staan en onvermoeibaar zijn spel met de schilderkunstige en andere artistieke elementen heeft doorgezet. Daar zijn schilderijen, sculpturen, keramische werken en nog veel meer uit tevoorschijn gekomen die rijk zijn van kleur en vorm maar gesloten en labyrintisch in hun betekenis. Geen werk wat direct toegankelijk is en behaagt, maar wat op een onnavolgbare manier toch altijd weer sterk is en helder.
Een paar citaten van Birza zelf:
'Talent, daar moet je  hard voor durven zijn. Voor je het weet beheers je als schilder een kunstje, één truc en blijf je daar je hele carrière op drijven. Er moet altijd weerstand blijven.'
En bij wijze van verklaring van zijn gebruik van zoveel verschillende media:
‘Ieder onderwerp vraagt om een bepaalde manier van schilderen. Dat zoekende, dat past bij mij. (-) De grote vraag over schilderkunst is: wanneer wordt een beeld zelfstandig, wanneer spreekt het voor zichzelf?.'
 
Met al dit soort esthetische kwesties houdt Erik van Lieshout zich niet bezig. Waar het hem om gaat is zijn eigen verhouding tot de wereld. Die stelt hij continu ter discussie en zelfs op het spel, met zijn films, tekeningen, schilderijen en installaties. En mochten er ergens nog heilige huisjes zijn, dan weet Van Lieshout ze feilloos te vinden en waar het maar kan te ondergraven. Met het woord respect moet je bij hem niet aankomen. Tenzij je wilt dat het als een boemerang terugkomt in je gezicht. Seks, gekte, censuur, nationalisme, discriminatie, noem maar een paar vraagstukken waar onze samenleving geen raad mee weet en Van Lieshout duikt er als een kamikaze piloot op af. Kamikaze, want hij spaart zichzelf daarbij niet. Als altijd weer opduikend middelpunt en stoorzender tegelijk stort hij zich er met volle kracht op om beelden op te duiken die humoristisch en absurdistisch zijn, maar evenzeer onthullend en ontluisterend, om niet te zeggen gênant. Zijn werk stelt vanuit een bijna doldriest plezier, vragen over onze moraal. En dat kan, zo blijkt, ook heel bevrijdend werken.
Van Lieshout zelf zegt het zo: 'Mijn werk is supermoralistisch. Maar wat precies de boodschap is moet je zelf bepalen. (-) Ik ben heel erg van de generatie van bewustzijn van jezelf en wie je bent en hoe anderen om je heen zich voelen en hoe je er met z'n allen iets beters van kan maken. Heel utopisch en ouderwets eigenlijk.'
 
Of 'ouderwets' het juiste woord is voor het werk van deze kunstenaars valt te bezien. Wij van de jury vinden het in ieder geval springlevend, fris, van deze tijd en toch daar bovenuit stijgend. Op het oog is er weinig dat deze kunstenaars verbindt, maar wat mentaliteit betreft delen ze heel sterke punten: ze schrikken nergens voor terug, breken dwars door gevestigde opvattingen heen, zetten zichzelf en hun kunst op het spel. En dat al jaren, zonder ophouden.
 Ik heb naar een enkel woord gezocht om die mentaliteit van koppigheid, brutaliteit en contramine uit te drukken en dit kwam in me op en zie het als compliment: de Wolvecamp prijs gaat deze keer naar de kunstenaars van de Baldadigheid. 

Namens de jury,
Anna Tilroe, voorzitter.














undefined
 
undefined
 
undefined
 
undefined
 
undefined
 
undefined
 
 
undefined
 
undefined
 
undefined
 
undefined
 
undefined